Certe voor zorgverleners

Openingstijden

Tijdens de zomervakantie heeft een aantal spreekuurlocaties voor de bloedafname aangepaste openingstijden, zie de locatiezoeker voor actuele informatie

Parasitaire infecties

Amoebiasis

Verwekker: Entamoeba histolytica

Amoebendysenterie

Weefselamoebicide middel:

1

metronidazol

750 mg

3 dd

p.o.

1 week

Deze behandeling moet altijd opgevolgd worden door behandeling met een contact-amoebicide middel:

1

paromomycine

10 mg/kg

3 dd

p.o.

1 week

2

clioquinol (suspensie FNA 100 mg/ml)

250mg

3 dd

p.o.

10 dagen

Asymptomatische cystendrager

Alleen behandeling met contact-amoebicide middel (zie hierboven).

Amoebenabces van de lever

Indien groot en dicht bij het leverkapsel gelegen: aspiratie (om de zwelling te verminderen en de genezing te versnellen). Daarnaast zelfde behandeling als bij amoebendysenterie (zie boven).

Blastocystosis

Blastocystis hominis infectie is zelfs bij immuungecompromitteerden symptoomloos of zelflimiterend. B. hominis wordt steeds meer bij de a-pathogene darmparasieten ingedeeld. Daarom is behandeling niet geïndiceerd.

Cryptosporidiose

Verwekker: Cryptosporidium parvum en C hominis. Er is (nog) geen effectieve therapie beschikbaar. De enteritis veroorzaakt door cryptosporidien is zelflimiterend maar kan wel 2 tot 4 weken duren en gepaard gaan met waterdunne diarree. Bij patienten met een immuundeficientie (m.n. AIDS) kan diarree ernstig en hardnekkig zijn. Behandeling berust in die gevallen op verbetering van de cellulaire afweer en bij een CD4< 150 behandelen met:

1

paromomycine

500 mg

3 dd

p.o.

1 week

Cyclosporiasis

Verwekker: Cyclospora cayetanensis. Bij langdurige diarree waarbij geen oorzaak gevonden wordt moet aan cyclospora infectie gedacht worden. Diagnostiek op cyclospora gebeurd niet routinematig en is alleen mogelijk als deze speciaal wordt aangevraagd, omdat speciale kleuringstechnieken nodig zijn om de parasiet in feces te kunnen vinden. Infectie komt voor bij reizigers, maar men kan ook in Nederland geïnfecteerd worden. Uiteindelijk is deze infectie ook zelflimiterend (na 1-3 maanden).

1

co-trimoxazol

960 mg

2 dd

p.o.

7 dgn tot 10 dgn bij immuunsuppressie *)

*) bij CD4 getal < 150 x 106/l is secundaire profylaxe nodig

 

Dientamoeba fragilis-infectie

Deze parasiet komt bijna net zo veel voor bij mensen met als zonder klachten en is daarom ook een dubieuze parasiet. Kan een zelflimiterende diarree en/of buikklachten veroorzaken.

Indien behandelingsindicatie aanwezig is:

1

clioquinol (suspensie FNA 100 mg/ml) *)

250mg

3 dd

p.o.

1 week

2

paromomycine

500 mg

3 dd

p.o.

1 week

*) niet tijdens de zwangerschap

Echinococcose

Verwekkers: Echinococcus granulosus (blaasworm of hondenlintworm) en Echinococcus multilocularis (vosselintworm). Ziektebeeld en behandeling van beide soorten verschillen.

Echinococcus granulosus kan leiden tot een langzaam groeiende cyste of blaas in een orgaan, meestal lever. Een cyste met verkalkte wand behoeft geen behandeling. Operatie of aspiratie (PAIR ingreep) dient in een gespecialiseerd centrum plaats te vinden vanwege het risico op anafylaxie of metastatische infectie. Voorafgaand en na de ingreep wordt albendazol gegeven.

Voor de ingreep:

1

albendazol

400 mg

2 dd

p.o.

1-4 weken

Na de ingreep:

1

albendazol

400 mg

2 dd

p.o.

4 weken

Bij spill tijdens OK

1

albendazol

400 mg

2 dd

p.o.

> 3 maanden

Bij multiple / inoperabele cysten

1

albendazol

400 mg

2 dd

p.o.

3-6 maanden

Voor Echinococcus multilocularis bestaat (nog) geen afdoend anthelminticum. Daarom is radicale chirurgie en/of aspiratie plus levenslange onderdrukkende behandeling met albendazol nodig.

Ectoparasieten

Myiasis

Verwekkers: o.a. Cordylobia anthropophaga (Afrika) en Dermatobia hominis (Zuid-Amerika).

Deze vliegenlarven die zich in de huid ontwikkelen en daar aanleiding geven tot puisten worden regelmatig bij reizigers naar Afrika en Zuid-Amerika (m.n. Suriname) gezien. Behandeling bestaat uit het afdekken van de ademopening bovenop de puist met bijvoorbeeld vaseline, waarna de larve naar boven komt en met een pincet verwijderd kan worden. Chirurgische verwijdering is dus niet nodig.

Hoofdluis en schaamluis

Verwekkers: respectievelijk Pediculosis capitis en Pediculosis pubis.

Bij hoofdluis is altijd onderzoek bij nog niet behandelde contacten nodig: maatregelen op school zo nodig in overleg met de GGD. Bij hoofdluis kan in veel gevallen volstaan worden met dagelijks grondig onderzoek met luizenkam.

NB: luizen overleven ook op kleding, beddengoed en in knuffels. Daarom tevens kleding en beddengoed wassen (op 60 graden). Luizen kunnen niet tegen bevriezing. Knuffels kunnen daardoor worden ontluist door ze 24 uur in de diepvries te leggen.

1

permetrine lotion 1%

 

10 minuten

lokaal

na 1 week herhalen

of

malathion 0,5% lotion

 

12 uur

lokaal

na 1 week herhalen

Beide na inwerktijd uitwassen met shampoo/zeep.

Scabies (schurft)

Verwekker: Sarcoptes scabei (schurfmijt).

 

permetrine 5% crème

dun aanbrengen

8-12 uur

laten inwerken

lokaal

niet op het gelaat

Verwekker Scabies norvegica

 

permetrine 5% crème

dun aanbrengen

8-12 uur laten inwerken

lokaal

aanbrengen, daarna

verwijderen

niet op het gelaat

+

 ivermectine

200 microg/kg

eenmalig

p.o.

na 1 week herhalen

Zie voor meer informatie:

 

Enterobiasis

Verwekker: Enterobius vermicularis. Is zeer besmettelijk. Doorgaans is sprake van gezinsinfecties. Overweeg daarom meebehandeling van huisgenoten op dezelfde dagen.

1

mebendazol

100 mg

 

p.o.

éénmalig + na 2weken herhalen

of

albendazol

400 mg

 

p.o.

éénmalig + na 2-3 weken herhalen

Giardiasis

Verwekker: Giardia lamblia. Is zeer besmettelijk bij onvoldoende fecale hygiene. Daarom worden vooral bij kleine kinderen gezinsinfecties of transmissie op scholen/crèches gezien. Overweeg daarom diagnostiek en/of behandeling van huisgenoten.

1

metronidazol

2 g

1 dd

p.o.

3 dagen

2

metronidazol

500 mg

3 dd

p.o.

5 dagen

of

albendazol

400 mg

1 dd

p.o.

5 dagen

Aanhoudende klachten van diarree na behandeling kunnen het gevolg zijn van een resterende (tijdelijke) lactose-intolerantie of gebrekkige dunne darm absorptie, welke beide het gevolg kunnen zijn van giardiasis.

In sommige patienten recidiveren de klachten van giardiasis na behandeling en kan de infectie ook opnieuw worden aangetoond. Bij een deel van deze patienten blijkt er sprake van her-besmetting en bij een deel van verminderde gevoeligheid tegen het gebruikte middel.

Ook bij sterk immuungecompromitteerde patienten blijken infecties moeilijker te bestrijden.

Behandelopties voor refractaire giardiasis:

1

metronidazol

750 mg

3 dd

p.o.

7 dagen

2

metronidazol +

albendazol

500 mg

400 mg

3 dd

1 dd

p.o.

5 dagen

Hymenolepiasis

Verwekkers: Hymenolepis nana (dwerg lintworm). Worm met slechts beperkte levensduur (enkele maanden) maar auto-herinfectie en infectie van huisgenoten komt veel voor.

1

praziquantel

25 mg/kg

p.o.

éénmalig

Leishmaniasis

Voor behandeling en diagnostiek van leishmaniasis is overleg met de arts-microbioloog en/of een centrum voor tropische geneeskunde noodzakelijk.

Viscerale leishmaniasis (Kala-Azar)

Verwekkers: Leishmania donovani en Leishmania infantum (Afrika, Europa) en Leishmania chagasi (Zuid/Midden Amerika).

Cutane leishmaniasis

Verwekkers: Leishmania major, Leishmania tropica, Leishmania aethiopica (Afrika, Europa).

(Muco)cutane leishmaniasis: Leishmania mexicana complex (incl. L. venezuelensis en L. amazonensis), Leishmania guyanensis complex (incl. L. panamensis), en Leishmania braziliensis complex (incl. L. peruviana).

Ongecompliceerd

 

natriumstibogluconaat

(100 mg Sb5+/ml) *)

1-3 ml

met interval van 1-2 dagen

intralesionaal

1-2x herhalen

*) Alleen op artsenverklaring beschikbaar

Uitgebreide vorm

 

natriumstibogluconaat *)

20 mg Sb5+/kg

1 dd

i.v. of i.m.

minimaal 3 weken

*) Alleen op artsenverklaring beschikbaar

Afhankelijk van localisatie van de laesie en de verwekker kan behandeling met fluconazol of ketoconazol aangewezen zijn. Overleg daarom met de arts-microbioloog en/of een centrum voor tropische geneeskunde.

Malaria

Malaria profylaxe

Voor adviezen met betrekking tot de profylaxe is overleg met de GGD en/of Travel Health Clinic noodzakelijk in verband met lokale risico’s en resistentie.

Malaria-therapie

Behandeling van malaria dient bij voorkeur in overleg met een deskundige infectioloog/arts-microbioloog te geschieden. Behandeling is afhankelijk van type malaria, ernst en complicaties, leeftijd en reisbestemming.

Bij sterke verdenking op malaria en negatieve laboratoriumbevindingen dient het bloedonderzoek na 12-24 uur herhaald te worden.

Patiënten met Plasmodium vivax, P.ovale, P.malariae en niet-ernstige P.falciparum-infectie kunnen met orale middelen en eventueel poliklinisch worden behandeld.

Malaria is meldingsplichtig, categorie C.

Malaria tropica Verwekker: Plasmodium falciparum

Ongecompliceerd: parasitemie < 2%, geen delingsvormen, geen complicaties of braken

Ongecompliceerde malaria: kan met orale therapie

1   

atovaquon/proguanil (Malarone®) *) tablet 350 mg

<40 kg: zie *)

≥ 40 kg: 4 tabletten

1 dd

p.o.

3 dagen

2

artemether/lumefantrine  (Riamet®) **) tablet 20/120 mg

<15 kg: 1 tablet

15-25 kg: 2 tabletten

25-35 kg: 3 tabletten

≥ 35 kg: 4 tabletten

op 0, 8, 24, 36, 48 en 60 uur

p.o.

 

3

mefloquine (Lariam ®) ***)

15 mg/kg, na 8 tot 24 uur, gevolgd door 10 mg/kg

     

4

kininesulfaat 

10 mg/kg/gift (maximaal 600 mg/gift)

3 dd

p.o.

1 week

+

clindamycine

600 mg

2 dd

p.o.

1 week

*) Niet tijdens de zwangerschap: dan optie 4 (1e trimester) of 2 (2e en 3e trimester).

 

  • Voor kinderen < 5 kg niet geregistreerd,
  • 5-8 kg: 1dd 2 junior tabletten (62,5/25 mg);
  • 9-10 kg: 1dd 3 junior tabletten;
  • 11-20 kg: 1dd volwassen tablet (250/100 mg);
  • 21-30 kg: 1dd 2 volwassen tabletten;
  • 31-40 kg: 1dd 3 volwassen tabletten.

    **) Niet tijdens 1e trimester van de zwangerschap, dan optie 4.

    ***) Niet bij malaria uit ZO Azië. Niet bij patiënten met epilepsie of psychiatrische aandoeningen.

    Ernstig: parasitemie ≥ 2% of schizonten in bloedbeeld of een complicatie (cerebrale verschijnselen, shock, respiratoire insufficiëntie, acidose, nierinsufficiëntie). Ernstige malaria dient op IC behandeld te worden. Bij ernstige malaria: intraveneuze therapie.

1

artesunaat

1e dag 2,4 mg/kg 2 dd, daarna 1 dd

i.v.

switch naar oraal zodra patiënt dat aan kan en bij parasitemie < 2%

2

kininehydrochloride *)

(ernstige malaria)

oplaaddosis 20 mg/kg (<5 jr 15 mg/kg) (max 1800 mg) in 4 uur,

daarna 30 mg/kg (<5 jaar 20 mg/kg) (max 1800 mg/24 uur continu infuus)

i.v.

*) cave hypoglycemie.

Malaria tertiana Verwekkers: Plasmodium vivax en Plasmodium ovale

1

chloroquine *)

eerste 2 dagen 10 mg/kg, 3e dag 5 mg/kg

1 dd

p.o.

3 dagen

2

mefloquine **)

10 mg/kg, eenmalig

     

*) In Zuid-Oost Azië komt chloroquine resistente P.vivax voor. Contraindicatie: glucose-6-fosfaatdehydrogenase (G-6-PD) deficiëntie, zwangerschap.

**) niet tijdens de zwangerschap, zie verder bij Malaria tropica.

Altijd gevolgd door (om recidieven vanuit het leverstadium te voorkomen):

 

primaquine base *)

  30 mg of 0,5 mg/kg/dg

  1 dd

  p.o.

2 weken, of voor Zuidoost Azië  3 weken

*) Niet bij G6PD-deficiëntie (leidt tot hemolyse) of tijdens zwangerschap

Malaria quartana Verwekker: Plasmodium malariae

Zelfde behandeling als malaria tertiana, maar zonder primaquine nabehandeling.

Malaria door Plasmodium knowlesi

Knowlesi malaria kan ernstig verlopen door een hoge parasitemie, orgaancomplicaties en snelle progressie. Ernstige malaria knowlesi wordt behandeld zoals ernstige malaria tropica

Mild verloop

1

chloroquine *)

eerste 2 dagen 10 mg/kg, 3e dag 5 mg/kg

1 dd

p.o.

3 dagen

2

artemether/lumefantrine  (Riamet®) **) tablet 20/120 mg

innemen met vet voedsel

op 0, 8, 24, 36, 48 en 60 uur

p.o.

 

*) zie opmerkingen bij malaria tertiana **) zie opmerkingen bij malaria tropica

 

Mijnworm-, spoelworm (Ascaris)- en zweepworm (Trichuris) infecties

Verwekkers:

  • spoelwormen (Ascaris lumbricoides en Ascaris suum)
  • mijnwormen (Necator americanus, Ancylostoma duodenale)
  • zweepworm (Trichuris trichiura)

1

mebendazol

100 mg

2 dd

p.o.

3 dagen; zo nodig na 3 weken herhalen

2

albendazol

400 mg

 

p.o.

éénmalig

Schistosomiasis of Bilharzia

Verwekkers: Schistosoma haematobium, S. mansoni of S. intercalatum:

1

praziquantel

40 mg/kg

p.o.

éénmalig

Bij Schistosoma japonicum en S. mekongi hoger doseren:

1

praziquantel

30 mg/kg

p.o.

tweemaal, met tussentijd van 4 uur

Bij Katayama-syndroom:

1

praziquantel *)

40 mg/kg

p.o.

éénmalig,

*) zo nodig corticosteroïden toevoegen

Bij lokalisatie in CZS:

1

praziquantel

30 mg/kg

 2 dd

p.o.

2 weken

+

prednison

60 mg

1 dd

p.o.

2 weken

Strongyloidiasis

Verwekker: Strongyloides stercoralis

1

ivermectine

200 microg/kg

1 dd

p.o.

éénmalig, nuchter innemen. Bij twijfel over inname of absorptie

zelfde dosis op dag 2 herhalen.

of

albendazol

400 mg

1 dd

p.o.

3 dagen, gevolgd door zelfde kuur na 1 week

Bij hyperinfectie, immunosuppressie of HIV infectie (met < 200 CD4 cellen):                                    

1

ivermectine

200 microg/kg

1 dd

p.o.

>3 dagen, gevolgd door 1 dosis per maand

of

albendazol

400 mg

1 dd

p.o.

2 weken, gevolgd door 1 dosis per 2 weken

Taeniasis (lintworm)

Verwekkers: Taenia saginata (runder lintworm) en Taenia solium (varkens lintworm)

 1

praziquantel

10 mg/kg

 

p.o.

éénmalig

of

niclosamide

2 g

 

p.o. (kauwen)

éénmalig

Neurocysticercose. Verwekker: Taenia solium. NB: geen antihelminthica geven bij oculaire en spinale lokalisatie. Geen behandeling nodig bij verkalkte cysten.

 1

albendazol (> dexamethason 3 dagen)

400 mg

2 dd

p.o.

2 weken

of

praziquantel (> dexamethason 3 dagen)

50 mg/kg/dag

in 3 doses

p.o.

2 weken

Toxocariasis of Larva Migrans

Verwekkers: Toxocara canis en Toxocara cati. Kunnen als “larva migrans” zowel visceraal als (zeldzaam) oculair verschijnselen geven. Besmetting komt ook in Nederland veel voor (bijna 1/5e van de bevolking is ooit besmet), maar leidt zelden tot symptomen of wordt niet ontdekt (zelflimiterend). Behandeling bij gestelde diagnose is dezelfde als die voor ascariasis plus gelijktijdig corticosteroïden tegen de bij behandeling optredende ontsteking.

Toxoplasmose

Verwekker:Toxoplasma gondii

Bij primaire infectie is doorgaans geen behandeling nodig omdat de infectie bij normale immuniteit zelflimiterend is. Behandeling is geïndiceerd bij persisterende klachten en bij ernstige infectie: retinitis, encefalitis, bewezen primaire infectie bij zwangere of aangetoonde foetale infectie.

Toxoplasmose bij intacte cellulaire immuniteit

persisterende klachten

 

pyrimethamine

1e dosis 100 mg, daarna 25 mg

1dd

p.o.

tot 1-2 weken na verdwijnen symptomen

+

sulfadiazine

1 g

4 dd

p.o

 

+

folinezuur

15 mg

1 dd

 

 

Retinitis

 

pyrimethamine

1e dosis 200 mg, daarna 50 mg

1dd

p.o.

tot 2 weken na verdwijnen symptomen

+

sulfadiazine

1 g

4 dd

p.o

 

+

folinezuur

15 mg

1 dd

 

 

Encefalitis

 

pyrimethamine

1e dosis 200 mg, daarna 50 mg

1dd

p.o.

tot 4 weken na verdwijnen symptomen

+

sulfadiazine

1 g

4 dd

p.o

 

+

folinezuur

15 mg

1 dd

p.o.

 

In geval van zwangerschap overleg met arts-microbioloog

Toxoplasmose bij gestoorde cellulaire immuniteit (HIV)

Infectie

 

pyrimethamine

1e dosis 100 mg, daarna 75 mg

1dd

p.o.

gedurende 4-6 weken

+

sulfadiazine

1 g

4 dd

p.o

 

+

folinezuur

15 mg

1 dd

p.o.

 

Profylaxe na behandelde infectie (alleen zolang CD4 < 200/mm3)

 

pyrimethamine

25 mg

1dd

p.o.

 

+

sulfadiazine

500 mg

4 dd

p.o

 

 

+

folinezuur

15 mg

1 dd

p.o.

 

 

Trichomoniasis

Verwekker: Trichomonas vaginalis. Zie seksueel overdraagbare aandoeningen.